In de afgelopen twee weken kwam het een paar keer voorbij tijdens mijn personal training sessies: een beenlengteverschil.
Soms gemeten door een therapeut, soms “gezien” voor de spiegel en soms vastgesteld met een scan.
Met een conclusie die dan vaak snel is getrokken:
“Je ene been is korter, dus je bekken staat scheef, dus daar komen je klachten vandaan.”
Als je het snel zegt klinkt het logisch. Maar is het echt zo simpel.
Wat is een beenlengteverschil?
Laten we eerst even orde scheppen. Want dit lijkt voor de hand liggend, maar zelfs hier kan het al voor verwarring zorgen. Er zijn namelijk twee totaal verschillende dingen:
Anatomisch beenlengteverschil
Het bot van het ene been is daadwerkelijk langer dan het andere.
Functioneel beenlengteverschil
De botten zijn even lang, maar het lichaam gedraagt zich alsof er verschil is.
Bijvoorbeeld door spierspanning, bekkenstand of houding.
Dat onderscheid is belangrijk. Want het bepaalt of en wat er überhaupt “opgelost” moet worden.
Hoe betrouwbaar is die meting?
Een beenlengteverschil wordt vaak gepresenteerd als een duidelijke oorzaak van klachten.
Maar de eerste vraag zou eigenlijk moeten zijn: hoe betrouwbaar is die meting?
In de praktijk wordt een beenlengteverschil meestal gemeten met een meetlint, van het bekken naar de enkel. Dat klinkt simpel, maar probeer het maar eens. In werkelijkheid zitten daar grote foutmarges in. Het exact vinden van dezelfde botpunten (met een asymmetrie tussen links en rechts), de houding van de patiënt, spierspanning of een kleine rotatie in het bekken: allemaal factoren die de uitkomst beïnvloeden.
Onderzoek laat zien dat de meetfout bij klinische metingen gemakkelijk 5 tot 15 millimeter kan zijn.
Dat betekent dat een verschil van bijvoorbeeld een centimeter vaak binnen de meetfout valt.
En dan komt de belangrijkste vraag:
Behandel je dan een probleem, of behandel je een meting?
Wie meet, bepaalt vaak wat er gevonden wordt
Er zit nog een andere kant aan het verhaal.
Als je naar verschillende zorgverleners gaat, kan de uitkomst verrassend verschillend zijn. De fysiotherapeut ziet een functioneel verschil dat met beweging of spierbalans te maken heeft. De orthopedisch chirurg kijkt vooral naar anatomische verschillen in botlengte. De podotherapeut of podoloog kijkt naar de stand van de voet en de belasting.
En soms speelt er nog iets anders mee: het verdienmodel.
Als iemand hulpmiddelen verkoopt, zoals zooltjes, is de kans groter dat er een reden gevonden wordt om ze te gebruiken. Dat gebeurt meestal niet bewust of met verkeerde intenties, maar het beïnvloedt wel hoe er gekeken wordt.
Het bekende principe geldt ook in de geneeskunde:
Wie een hamer heeft, ziet overal spijkers.
Of in dit geval:
wie zooltjes maakt, ziet sneller een beenlengteverschil dat gecorrigeerd moet worden.
Het probleem is vooral zichtbaar… als je stil staat
Veel “verschillen” zie je het duidelijkst als iemand stil rechtop staat met de voeten recht onder de heupen. Maar dan komt de vraag: Wanneer sta je eigenlijk zo?
Bijna nooit. In het dagelijks leven zijn we aan het lopen, aan het bewegen, aan het zitten of aan het liggen
Tijdens lopen sta je steeds op één been. Het lichaam beweegt continu en past zich aan. En juist in die beweging ontstaat ruimte om kleine verschillen op te vangen.
Het lichaam is gebouwd om te compenseren
Wat vaak vergeten wordt, is dat bijna niemand volledig symmetrisch is. Bij een groot deel van de bevolking zit een klein anatomisch verschil tussen links en rechts. Meestal gaat het om enkele millimeters tot een centimeter. Het lichaam past zich daar vrijwel altijd probleemloos op aan. Het is een adaptief systeem. Kleine verschillen in spierkracht, mobiliteit en botstructuur worden de hele dag automatisch gecompenseerd.
Een klein verschil betekent dus niet automatisch dat het een probleem is..
Een paar graden verschil in kniestand kan al zorgen voor meerdere millimeters “lengteverschil”.
Dus wat je meet als een korter been, kan net zo goed komen door een licht gebogen knie een kantelend bekken of spierspanning. Anders om kan een licht gebogen knie een klein bot lengte verschil makkelijk opvangen. Met andere woorden: het is niet altijd wat het lijkt.
En dan is er nog iets: tijd
Zelfs als je een verschil ziet in stand, moet je jezelf nog iets afvragen:
Hoe vaak en hoe lang speelt dit eigenlijk een rol op een dag? De meeste mensen liggen (slapen), zitten (werk, auto, bank) en bewegen dynamisch (lopen, sporten). De tijd dat iemand stil rechtop staat met beide voeten onder de heupen is minimaal. Dat betekent dat een zichtbaar verschil niet automatisch betekent dat het ook de hele dag invloed heeft.
Dat betekent niet dat een beenlengteverschil nooit relevant kan zijn, maar het plaatst het probleem wel in perspectief.
Wanneer is het wel relevant?
Dat betekent niet dat een beenlengteverschil nooit een rol speelt.
Het kan relevant zijn bij:
- grotere anatomische verschillen (> 2 cm)
- duidelijke overbelasting aan één kant
- klachten die consistent samenhangen met stand of belasting
Maar zelfs dan blijft de vraag:
Heeft dit verschil echt invloed op hoe iemand beweegt en functioneert?
Moet je er altijd iets aan doen?
Nee.
Vaak is het lichaam prima in staat om het zelf op te lossen. En soms maak je het juist complexer door meteen te corrigeren met zooltjes, zonder naar het geheel te kijken.
Overweeg ook eens dit. Het lichaam is heel goed in compenseren en dat heeft het ook zeker gedaan. Die compensaties zijn meegegroeid met het lengteverschil. Dit verschil ineens oplossen met een zooltje of operaties, zorgt voor een totaal andere beweging niet alleen op die ene plek of het been, maar door de hele keten. Je kan er op wachten dat andere plekken, gewrichten, bindweefsel, kraakbeen en spieren hier door gaan protesteren. Het kost tijd, als het al volledig lukt, voor deze structuren zich weer aan te passen aan de nieuwe situatie.
De belangrijkste vraag
De vraag is daarom niet:
“Is er een beenlengteverschil?”
Maar:
“Heeft dit verschil invloed op hoe iemand beweegt, belast en functioneert? En is het daarmee de (enige) oorzaak van het probleem.”
Conclusie
Kleine asymmetrie zijn gewone normale variaties van het menselijk lichaam. Meten is minder nauwkeurig dan vaak gedacht. En het lichaam is beter in compenseren dan we denken.
Dus voordat je iets gaat “corrigeren met hulpmiddelen”, stel jezelf één vraag:
Behandel ik een probleem… of een meting?


